Hardfruit
Bewaarperiode De tijd tussen oogsten en verhandelen/consumeren.
Botrytis Een schimmelziekte die in alle plantaardige gewassen voorkomt. Beschadigde en aangetaste vruchten zijn de voedingsbodem voor deze schimmel.
Broeien Het kunstmatig verhogen van de temperatuur m.b.v. water en warmte. Hiermee tracht de teler een versnelde rijping te bereiken; bijv. James Grieve.
Buikziek Een gebrek wat bij enkele perenrassen voorkomt, hierbij ontstaat een rotting van binnen uit, begint bij het klokhuis.
CA-bewaring Controled Atmosphere of Gecontroleerde atmosfeer. Naast temperatuurbeïnvloeding ook de samenstelling van de lucht beïnvloeden, waardoor een langere bewaring mogelijk wordt.
Chimaeren Niet goed gekleurde strepen op Appelen.
Cijns Heffing die betaald moet worden om het kwekersrecht te behouden(Acijns)
Consistentie De dichtheid of compactheid van het vruchtvlees.
Dauwlaag Een waslaag die bij sommige appelrassen duidelijk zichtbaar en voelbaar is.
Dessertappel Een aanduiding voor handappels die bij uitstek geschikt zijn om na een maaltijd te eten.
Eetrijp Fruit dat consumptieklaar is. Zie ook narijpen.
Facultatief Niet verplicht.
Gelakt Het lakken van de steel van een vrucht met zegellak, het geeft de vruchten een mooi uiterlijk. Bijv. bij de Passe Crassane.
Handelskanaal De weg van producent naar consument. Ook de bedrijfskolom genoemd.
Hardfruit Vruchten afkomstig van houtige gewassen die na de oogst (plukrijp) eerst moeten narijpen om eetrijp te worden.
Homogeniteit Stevigheid, zie ook consistentie.
Houtachtig Houtig of houtachtig,het gewas heeft een stam en takken. Bomen en struiken zijn houtige gewassen.
Jodiumtest Een methode waarbij met behulp van o.a. jodium de rijpheid van Appelen is vast te stellen. Ook Zetmeel- of Lugoltest genoemd.
KCB Kwaliteits Controle Bureau
Kelkblaadjes Zie ook kelkholte. Bij de Supertrévoux zijn de kelkblaadjes vergroeid met de vrucht.
Kelkholte De plaats tegenover de steelholte, daar waar de restanten van de bloesem nog zichtbaar zijn.
Klasse De indelingsaanduiding naar uiterlijk volgens voorschriften PT = (Produktschap Tuinbouw).
Kleurenschaal De indeling die gebruikt wordt bij enkele appel- en perenrassen om op basis van de kleur de rijpheid vast te stellen.
Kloon De gehele nakomelingschap ontstaan door voortplanting uit een organisme.
Kookappels Zie potappels.
Kurkstip Gebrek in Appelen en komt vaak voor bij te vroeg geplukt fruit. Wordt ook stip genoemd.
Kwekersrecht Het recht van de kweker om een door hem gekweekte variëteit te beschermen, waardoor hij zelf dit recht kan verkopen aan kwekers die zijn produkt willen telen.
Lenticellen Huidmondjes in de schil, waardoor fruit kan ademen.
Lenticelspot Een gebrek in Appelen die in/op de lenticellen begint.
Licentiehouder Een teler die het recht koopt om een beschermd ras te telen.
Zie ook Kwekersrecht.
L.T.B. Lage Temperatuur Bederf.
Lugoltest zie Jodiumtest.
Mechanische Het koelen met behulp van een machine. Uitsluitend de tem-
bewaring peratuur beïnvloeden.
Melig Wanneer de sapcellen hun vocht verliezen, wordt het vruchtvlees melig.
Merknaam Een beschermde naam.
Middellijn Ook wel de dwarsdoorsnede genoemd, gebruikt bij maatsorteringen.
Minimummaten De minimummaten die volgens voorschriften van het PT worden gehanteerd.
Minoltameter Een elektronisch instrument waarmee de rijpheid van Appelen kan worden vastgesteld.
Mutanten Spontane veranderingen van de soort, bijv. meer kleur of groter formaat. Door de mutant als een zelfstandige variëteit verder te telen ontstaat een nieuw ras.
Narijpen Plukrijp geoogst fruit dat na de oogst pas op smaak komt en eetrijp wordt.
Nestrot Meerdere vruchten aangetast door bijv. Botrytis.
Nomenclatuur Volgens botanische inzichten en afspraken planten indelen en namen geven. (Binominale Nomenclatuur).
Ondereind van Bij de kwaliteitsindeling van fruit gaan we uit van de Klasse
de markt Extra - I - II - III. Het ondereind begint dan nog minder dan klasse III. Bijv. Appelen en Peren vaak dat wat alleen nog geschikt is voor de verwerking.
Overrijp Het tijdstip waarop fruit nog net niet is verrot.
Parthenocarpie Vruchten die zijn ontstaan zonder bestuiving en derhalve geen zaden bevatten, deze zijn dus zaadloos.
Pitvruchten Vruchten waar de zaden opgesloten zitten in een klokhuis, zoals bij Appel en Peer.
Plukrijp Het moment waarop geoogst kan worden, er is dan voldoende smaak en aroma stoffen aanwezigen de verbinding tussen vrucht en tak laat makkelijk los.
Potappels Appelen geschikt om te koken of te stoven.
PT Produktschap Tuinbouw, v/h Produktschap AGF.
® Registered, geregistreerd in het merkenregister.
Ras Zie variëteit
Rasnaam De naam waarmee de boom is ingeschreven in de rassenlijst. Bijv. Elstar.
Rins/Rinzig Een smaakomschrijving, lichtzuur tot zuur.
RV Relatieve Vochtigheid.
Scald Bruinverkleuring van de schil, bewaarziekte.
Sortering De indelingsaanduiding naar grootte, volgens voorschriften PT.
Steelholte De plaats waar de steel aan de Appel vastzit, bij Peren spreken we van steelaanzet.
Steencellen Zie Stenig.
Stenig Het verschijnsel bij Peren, waarbij de vruchtcellen hard en stenig zijn, vooral rond het klokhuis aanwezig.
Stip Zie Kurkstip.
Stoofappels Zie Potappels.
Stropdassen Een lichte streep, vanaf de steelinplant tot halverwege de vrucht, komt voor bij roodschillige appelrassen.
Synoniemen Een vervangende naam voor de ingeschreven rasnaam; bijv. Kleipeer voor de Winterjan.
ULO-bewaring Ultra Low Oxigen, een vorm van GA/CA-bewaring waarbij het zuurstofgehalte in de lucht wordt teruggebracht onder de 2%. Zie ook CA-bewaring.
Variëteit Ook ras genoemd, bijv. binnen de soort Appel is Elstar een variëteit of ras.
Zetmeelproef zie Jodiumtest.
Zweten Fruit dat na de koeling in een warme ruimte komt, krijgt condensvocht op de schil, ook zweten genoemd. Deze partijen eerst laten drogen, voordat deze in de detailhandel verkocht worden.
